Een shotje liefde.
Met haar 18 graden kan deze eerste dag van november niet mooier beginnen dan deze temperatuur gecombineerd met een vleugje Amsterdam. Na 1,5 uur slapen sta ik met enige tegenzin op uit dit heerlijke bed en voeten die nog na tintelen van het nachtelijke avontuurtje op salsaschoenen. Ik logeer in de polder (zie vorige column) en heb dan ook een beperkte selectie aan schoenen meegenomen; 1 paar sportschoenen en 1 paar hakken.
Omdat ik vandaag een kamer ga bekijken in Amsterdam Oost en dit bezoek combineer met mijn allereerste Tinderdate, had ik geen andere keuze dan te kiezen voor de hak schoen. Na de bezichtiging wacht ik 2,5 uur tot de start van mijn Tinder Lunch. Ik had een voorgevoel dat de man niet zou komen.
Om 12.30 is er nog steeds radiostilte en is het enige gesprek dat ik voer, het gesprek met de serveerster over het gebruik van een oplader voor mijn telefoon.
Daar zit je dan met je zenuwen, rare onderbuikgevoel en Humberto Tan schuin voor je; iets dat ik door zijn uitstraling een leuke bijkomstigheid vind. Deze dag is te mooi om alleen in de polder door te brengen en dus app ik een vriendin. Niet veel later appt de man dat hij zich verslapen heeft en vraagt hij me of ik er nog ben. Ik kies voor een leugentje om bestwil en zeg dat ik al weg ben.
De vriendin blijkt er pas rond 18.00 uur te kunnen zijn en ondanks de 1,5 uur slaap, besluit ik te blijven. Vol adrenaline van de nacht en het enthousiasme van de kamer, voel ik mij met de zon op mijn gezicht en de sfeer van de stad het gelukkigste meisje van de wereld.
Na kilometers op hakken, daal ik neer in het Vondelpark. Terwijl de eerste symptomen van vermoeidheid zich aandienen geniet ik van het hondje die als een malle om iedereen heen rent en bij ieder van hen een lach op het gezicht tovert.
Momenten van geluk om de kleine dingen in het leven, brengen me later op de dag in contrast met de bizarre werkelijkheid. Als ik op de Dam loop, zie ik naast me een vrouw op haar buik met haar gezicht langs een stoeprand liggen. Ter hoogte van haar neus druppelt bloed en ik hoor haar jammeren. Ze is overduidelijk dronken en waarschijnlijk zwervend. De waarschijnlijk zwervende man naast haar beveelt haar hard doch vriendelijk, op te staan. Ik aanschouw dit en weet niet waarom ze bloedt.
De menigte om me heen ook niet en toch loopt iedereen door. Ik stop en kniel neer om te vragen wat er is gebeurd. De man blijft zeggen dat ze omhoog moet komen en ik zie dat het haar niet lukt. Ik help haar overeind en vraag om een zakdoekje, doe er wat water op en dep dit op haar gezicht. De man vraagt of ik verpleegster ben. “Ik ben geen verpleegster maar ik vind het niet kunnen om een bloedende vrouw langs de kant van de weg te laten liggen”. Hij is het met me eens en ik kom erachter dat ze zijn vrouw is.
Voordat ik wegga, vraag ik hem goed voor haar te zorgen. Hij bedankt me en noemt me lief, iets dat ik waardeer maar waarbij ik van mening ben dat mijn daad de normaalste zaak van de wereld zou moeten zijn.
Ik ben oprecht geschokt door deze gebeurtenis en voel de tranen in mijn ogen. Zijn we met zijn allen zo ver afgegleden dat we onze medemens langs de kant van de weg laten bloeden? Waarom was ik de enige die besloot om deze vrouw te helpen? Ik heb het vermoeden dat het om vooroordelen gaat want voordat ik neer knielde leek ik de vooroordelen bijna te kunnen proeven.
Na een gezellig diner en borrel, begint de vermoeidheid om te slaan naar misselijkheid en voeten die na 26 uur op hakken, geen stap meer willen zetten.
Echt mensen; als we allemaal een mond hebben gekregen om te praten, een paar ogen om te zien en een paar handen om te gebruiken waarom gebruiken we die mond dan niet om onze mond open te trekken, de ogen om ze te openen of de handen om een helpende hand te bieden?
Tenslotte: Small acts, when multiplied by millions of people can transform the world. Think about it.